De Hobbit: ‘een klein kereltje in een grote wereld’

Nu ‘The Hobbit: The battle of five armies’ in de bioscoop verschijnt, ben ik het boek ‘de hobbit’ van J.R.R. Tolkien opnieuw gaan lezen. Jaren geleden heb ik het voor het eerst gelezen, maar nu ik nu ik het werk van Tolkien beter ken én de vijf Tolkien-films van Peter Jackson heb gezien, vallen mij allerlei dingen op die ik niet zag toen ik het de eerste keer las.

Een groter verhaal

Wat mij opvalt nu ik de Hobbit voor de tweede keer heb gelezen, is dat het niet simpelweg een kinderverhaal is, zoals vaak gezegd wordt: het zit vol met verwijzingen naar de andere verhalen van Tolkien: de geschiedenis van de elfen en de dwergen, de mythologie van de Silmarillion, en de grotere wereld van Midden-Aarde. Wanneer De Hobbit een kinderverhaal wordt genoemd en In de ban van de Ring een verhaal voor volwassenen, wordt daarmee ook vaak gezegd dat de Hobbit veel eenvoudiger is en In de ban van de Ring dramatischer, met een geschiedenis, een mythologie, een beeld over de aard en de oorzaak van het kwaad in de wereld, enz. Maar wanneer je de Hobbit naast het andere werk van Tolkien legt, zowel In de ban van de Ring als de Silmarillion, zie je belangrijke overeenkomsten in de thema’s van het verhaal. Ook herschreef Tolkien de Hobbit om het verhaal duidelijker te plaatsen in het grotere verhaal van Midden-Aarde. Er zijn nog steeds mensen die opmerken hoe apart het is dat Peter Jackson drie films maakte van één boek. Maar in het script van de drie films wordt gebruik gemaakt van veel meer materiaal van Tolkien dan alleen het boek ‘De Hobbit’. En dit is niet alleen een keuze van Peter Jackson, maar is ook iets waar Tolkien zelf mee bezig was: het verhaal van de Hobbit herschrijven om te laten zien hoe het een deel is van het grotere verhaal van Midden-Aarde.

Toeval, en hulp van de zwakken

Het boek ‘de Silmarillion’, wat vooral gaat over de geschiedenis van de elfen, sluit af met het hoofdstuk ‘Over de ringen van macht en de derde era’. Hierin wordt een overzicht gegeven van de gebeurtenissen in de Hobbit en In de ban van de Ring, in de context van de hele geschiedenis van Midden-Aarde. Tolkien schrijft hier ook over de rol van het Hobbitvolk en hoe ‘toeval’ en de aandacht voor het zwakkere en de kleineren een centrale rol spelen in de uiteindelijke overwinning van het goede. In een gesprek tussen Elrond en Mithrandir (Gandalf), lang vóór de gebeurtenissen in de Hobbit, komt dit duidelijk naar voren: Elrond ‘zei tegen Mithrandir: ‘Niettemin voorzeg ik dat de Ene alsnog zal worden gevonden, en dan zal er weer oorlog komen, en met die oorlog zal deze Era eindigen. Hij zal zeker eindigen met een tweede duisternis, tenzij wij door een vreemd toeval worden gered, dat mijn ogen niet kunnen zien.’ ‘Er zijn vele vreemde toevallen in de wereld,’ zei Mithrandir, ‘en hulp komt vaak van de kant van de zwakken wanneer de Wijzen falen.’ In dit laatste hoofdstuk van de Silmarillion wordt de tocht naar Erebor, de eenzame berg, niet genoemd, maar wel het belang van Gandalf’s unieke aandacht voor het Hobbitvolk, en rol die zij hierdoor hadden in de uiteindelijke overwinning op Sauron: ‘En voor die tijd waren zij door Elfen en Mensen van weinig gewicht geacht, en Sauron noch iemand van de Wijzen, behalve Mithrandir, had in al zijn plannen aandacht aan hen geschonken. (…) Toch werd in dat uur wat Mithrandir had gezegd bewaarheid, en er kwam hulp van de kanten van de zwakken toen de Wijzen faalden. Want zoals sindsdien in vele liederen is gezongen, waren het de Periannath, het Kleine Volk, die in de hellingen van heuvels en weiden woonden, die redding brachten.’ Dit is de dramatische context van die mooie, eerste zin van De Hobbit: ‘In een hol onder de grond woonde een hobbit…’

De tocht naar Erebor en de strijd tegen Sauron

Er is meer te vinden in de derde appendix aan het eind van In de ban van de Ring, over het dwergenvolk: ‘Durins volk’. Hierin schrijft Tolkien over Durin, een van de zeven stamvaders van de dwergen, hoe zij in Moria woonden totdat het vernietigd werd door de Balrog, en hoe zij hierna naar Erebor, de eenzame berg, gingen. In Erebor, eigenlijk een plan B na het verlies van Moria, stichtten zij het dwergenrijk wat zo mooi in beeld is gebracht in de eerste minuten van de eerste Hobbit-film. De dwergen werden door de draak Smaug uit Erebor verdreven, waarna de oorlog begon tussen de aardmannen en dwergen, die uitliep op de veldslag bij Azanulbizar, die in een flashback in de eerste Hobbit-film in beeld gebracht wordt om te vertellen hoe Thorin aan zijn bijnaam ‘eikenschild’ kwam. In deze appendix vertelt Tolkien ook over de redenen van Gandalf om de tocht naar de eenzame berg te organiseren, en de rol die de gebeurtenissen van De Hobbit speelden in de oorlog tegen Sauron (Tolkien heeft hier ook meer over geschreven in ‘the quest of erebor’, een verhaal wat na Tolkiens dood is uitgegeven in ‘unfinished tales’). In deze derde In de ban van de Ring-appendix vertelt Tolkien dat Gandalf wist ‘dat Sauron een oorlog voorbereidde’ en dat ‘Sauron de draak met verschrikkelijk gevolg zou kunnen gebruiken.’ Na de overwinning op Sauron spreekt Gandalf hierover met Frodo en Gimli in Minas Tirith, en vertelt hij hen: ‘Toch hadden de zaken heel anders en veel slechter kunnen verlopen. Als je denkt aan de grote slag van de Pelennor, vergeet dan niet de gevechten in Dal en de dapperheid van Durins volk. Bedenk wat er had kunnen gebeuren. Drakenvuur en woeste zwaarden in Eriador, nacht in Rivendel. Dan zou er misschien geen koningin in Gondor zijn. Dan zouden we van de overwinning hier wel eens naar puin en as hebben kunnen terugkeren. Maar dat alles is niet gebeurd – omdat ik Thorin Eikenschild op een avond aan het begin van het voorjaar in Breeg ontmoette. Een toevallige ontmoeting, zoasl wij in Midden-Aarde zeggen.’ Hier wordt door Gandalf op dezelfde manier over ‘toeval’ gesproken als in het laatste hoofdstuk van de Silmarillion: een schijnbaar toeval, die op een bijzondere manier een centrale rol blijkt te spelen in de uiteindelijke overwinning van het goede. Voorbestemd, op een bepaalde manier, ‘ment to be’, zoals ook mooi terugkomt in het gesprek tussen Gandalf en Frodo in Moria, in de eerste the Lord of the Rings-film (zie de video bovenaan dit stuk).

Voorspellingen en geluk

In de laatste zinnen van De Hobbit spreekt Gandalf opnieuw op deze manier over ‘voorspellingen’ en ‘geluk’. ‘Dan zijn de voorspellingen van de oude liederen dus toch min of meer bewaarheid geworden,’ zei Bilbo. ‘Natuurlijk!’ zei Gandalf. ‘En waarom zouden ze niet bewaarheid worden? Je hebt toch zeker geen reden om niet in voorspellingen te geloven omdat je zelf de hand hebt gehad in hun verwerkelijking? Je denkt toch zeker niet dat al je avonturen en ontsnappingen door geluk werden beheerst, alleen om jou te helpen? Je bent een fijne vent, meneer Balings, en ik mag je bijzonder graag, maar per slot van rekening ben je maar een heel klein kereltje in een grote wereld.’ ‘De hemel zij dank!’ zei Bilbo lachend en reikte hem de tabakspot aan.

Peter Jackson                                                                                                                                      Dit alles laat denk ik zie dat Peter Jackson Tolkien erg goed gelezen heeft, en deze thema’s goed terug laat komen in de films die hij gemaakt heeft. Tuurlijk, er zitten ook best veel Hollywood-clichés in, maar dat neemt niet weg dat Peter Jackson op een prachtige manier kernthema’s uit het werk van Tolkien terug laat komen in de films, die er nooit waren geweest als hij enkel een ‘letterlijke’ verfilming van het boek De Hobbit had gemaakt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *