Eén lichaam

(Dit stukje schreef ik voor de rubriek ‘Bericht uit Rome’ van NicolaasNieuws, het parochieblad van de Nicolaasparochie in Amsterdam. Hieronder is het te lezen; de PDF van deze editie van NicolaasNieuws is hier te vinden – klik op ‘Pasen 2017′, download dan de PDF, zie p. 12-13)

Door Zeger Polhuijs

Door het doopsel zijn we met elkaar verbonden. Maar de verbondenheid reikt verder dan dat. Bericht uit Rome.

Elke ochtend vroeg ga ik hier in Rome vanuit de volkswijk Trastevere met het openbaar vervoer richting de Franciscaanse universiteit Antonianum, waar ik studeer.  De straatjes van Trastevere zijn dan nog uitgestorven, met hier en daar de sporen van het toeristische uitgaansleven van de vorige avond. Voor de gesloten restaurants liggen stapels vuilniszakken te wachten op de vuilniswagen, en hier en daar staan nog wat lege bierflesjes op plekken waar men heeft zitten luisteren naar een straatmuzikant. De eerste cafeetjes zijn open, waar de Romeinen staand aan de bar een cappuccino of espresso drinken, op weg naar hun werk.

Op het plein voor de basiliek Santa Maria in Trastevere ontmoet ik vaak een aantal zigeunervrouwen die alvast op een hoek van het plein of bij de ingang van de basiliek gaan zitten om te bedelen. We kennen hen goed; vaak zitten zij er ook wanneer we naar het dagelijkse avondgebed van de Gemeenschap van Sant’Egidio gaan. Zoals de bejaarde Mira, op de hoek van het plein, die af en toe niet om geld vraagt maar om een beker warme melk bij het cafeetje aan de overkant, of om een kaartje voor de tram bij de kiosk. Elke kerst is zij met haar kleinkinderen bij het kerstfeest voor de armen in de basiliek. Of zoals Maria, die bij de ingang van de basiliek jaar in jaar uit iedereen voorbij ziet komen, en dus mensen van de Gemeenschap van Sant’Egidio uit de hele wereld kent, van Antwerpen tot Blantyre. Tijdens Witte Donderdag 2016 was zij een van de personen wiens voeten werden gewassen tijdens de liturgie; twee jaar daarvoor is zij gedoopt.

Door de doop zijn we één enkel lichaam geworden, schrijft de apostel Paulus (1 Kor. 12;13). Het is voor ons alleen heel makkelijk om daarbij vooral te denken aan de mensen die erg lijken op onszelf, aan mensen met ongeveer dezelfde manier van leven. Wij hebben het doopsel ontvangen, de verbondenheid met Jezus en de verbondenheid met de andere gedoopten, maar in het dagelijks leven is ons voorstellingsvermogen vaak te klein om te bevatten hoe ver die verbondenheid reikt.

In November 2015 bezocht paus Franciscus de stad Florence, waar hij in een toespraak de oude weeshuizen van Florence als voorbeeld gebruikte voor de relatie tussen de kerk en de armen. Bij deze weeshuizen konden vrouwen terecht om hun kind te laten opvangen zodat ze het niet te vondeling hoefden te leggen. Ze kregen dan de helft van een medaillon, waarvan de andere helft bij het kind bleef: zo konden ze later in het leven hun eigen kind weer vinden wanneer ze contact zochten. De kerk, zo vertelde paus Franciscus, is in het bezit van zo’n halve medaillon, en de andere helft vindt zij bij de armen. De kerk en de armen horen bij elkaar, als de twee helften van een medaillon.

Dat geldt voor alle armen, wie dan ook, want Jezus identificeert zichzelf met hen (Mt. 25;40). Maar hoeveel temeer geldt dit dan voor die armen waarmee wij ook door de doop verbonden zijn!

In de straatjes van Trastevere en op het plein voor de basiliek Santa Maria kan ik leren hoe groot de verbondenheid is die we ontvangen door de doop; hoe groot dat lichaam is waarvan we deel zijn geworden, en waar ook de armen deel van zijn. Ik ben met de persoon die naast mij ter communie gaat verbonden door de doop, maar met sommige mensen die ik op de hoeken van de pleinen tegenkom ben ik dat ook. De kunst is om dat te zien en te leven: in de kerk, en in de straten en op de pleinen van de stad.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *